Geen betaling van een ‘som ineens’ bij een BV, een glansrijke overwinning!

Michelle Roobeek heeft onze cliënt met succes bijgestaan in een procedure bij het Gerechtshof Amsterdam, wat deze week tot duidelijkheid in het erfrecht heeft geleid!

De grote vraag die aan deze procedure ten grondslag lag, was of artikel 4:36 lid 1 BW van toepassing is op een besloten vennootschap (BV). Artikel 4:36 lid 1 BW regelt een ‘som ineens’ voor arbeid in de huishouding van de erflater of in het door de erflater uitgeoefende beroep of bedrijf, zonder dat daar een passende beloning voor is ontvangen. Dit wil zeggen dat indien een kind geruime tijd voor zijn ouders heeft gewerkt zonder hiervoor een (behoorlijke) vergoeding te hebben verkregen en hier ook door middel van de erfenis van de ouders niet voor beloond is, het redelijk wordt gevonden dat dit kind bij de verdeling van de nalatenschap meer toebedeeld krijgt dan zijn broers, zussen of andere erfgenamen.

Wat er precies met ‘het beroep of bedrijf’ bedoeld wordt, was echter niet duidelijk te vinden. De wederpartij was van mening dat de BV waarvan haar vader alle aandelen hield hieronder valt en zij recht had op een billijke vergoeding ten laste van de nalatenschap, de zogeheten ‘som ineens’. Ons standpunt was dat een BV hier niet onder valt en de wederpartij dan ook geen recht had op de som ineens. Het hof gaf ons gelijk en oordeelde dat artikel 4:36 lid 1 BW gaat om arbeid in een door de erflater zelf uitgeoefende beroep of bedrijf en niet om arbeid in een door een BV uitgeoefend beroep of bedrijf, ook al was de erflater daarin bestuurder of hield hij aandelen. De wederpartij had dus geen recht op de gevorderde som ineens. Het hof motiveerde dit – kort samengevat – als volgt.

Indien een kind arbeid verricht in het beroep of bedrijf van de ouders, heeft dit economische waarde en beïnvloedt dit de omvang van de nalatenschap van de erflater. Indien deze arbeid is verricht in een BV, beïnvloed dit het vermogen van de BV en is dit slechts indirect van invloed op de omvang van de nalatenschap.

Al met al is er in de rechtspraak een antwoord gekomen op de vraag of artikel 4:36 lid 1 BW van toepassing is op een besloten vennootschap (BV). Het antwoord hierop luidt ‘nee’ en betekent duidelijkheid in het erfrecht en een glansrijke overwinning voor onze cliënt en Michelle!

Wilt u ook worden bijgestaan door Michelle?

Neem contact met ons op:
info@hendrikxadvocaten.nl
☏ 0297 – 25 00 18

Over de auteur: Michelle Roobeek

Michelle is personen- en familierechtadvocaat en echtscheidingsmediator bij Hendrikx Advocaten. Een bijzonder zwaartepunt in haar praktijk ligt bij geschillen over afstamming, alimentatie en verdeling van vermogen bij zowel echtscheidingen als nalatenschappen. Bij veel van de (echt)scheidingen die zij behandelt zijn ondernemingen betrokken.